![]() |
De Confêttia-eisen |
| Eisen tegen geweld en armoede | |
|
Wereldvrouwenmars -
Marche Mondiale des Femmes WVM - MMF GSM (**32) - (0)473-89.61.89 e-mail: wereldvrouwenmars@amazone.be website www.wereldvrouwenmars.be |
EISEN OVER GEWELD TEGEN VROUWEN Stop geweld tegen vrouwen = een politieke prioriteitVaststellingOmdat ze tot het vrouwelijke geslacht behoren zijn vrouwen en meisjes overal ter wereld, het slachtoffer van geweldpleging in huiselijke kring en binnen de gemeenschap, ongeacht hun inkomsten, sociale klasse en cultuur. Dit is het resultaat van een historische machtsverhouding die uiteindelijk heeft geleid tot de heerschappij van de man over de vrouw.De agressie en geweld jegens meisjes en vrouwen komt voor in de familiekring, in de vertrouwensrelatie, in de gemeenschap en op het werk en uit zich in fysisch, psychisch, seksueel en structureel geweld. CommentaarDe overheid rekent nog te veel op privé initiatieven en legt te weinig verband tussen geweld op vrouwen en meisjes en hun positie in de maatschappij. Er is te weinig samenwerking tussen de verschillende ministeries die in de globale problematiek betrokken zijn. De problematiek mag niet overgelaten worden aan de ministers van Welzijn of Gelijke Kansen, ook de andere ministers moeten hiertoe bijdragen zoals werkgelegenheid – onderwijs – cultuur. Zolang er geen gecoördineerd beleid komt, is het moeilijk om goede resultaten te bereiken.Eisen en aanbevelingenOm de uitdaging aan te gaan van de uitroeiing van alle geweldplegingen op vrouwen en meisjes in familiekring, in de gemeenschap en in elk land, is het noodzakelijk en onontbeerlijk om een globale, multidisciplinaire benadering uit te werken die door de overheid gesteund wordt.Deze benadering uit zich in:
Slachtoffer thuis; dader uit huis !VaststellingOm preventief te kunnen werken is een mentaliteitsverandering noodzakelijk. Door een gebrek aan financiële middelen bestaan er onvoldoende specifieke diensten voor dringende hulp zodat onthaalcentra overstelpt worden. Centra voor daderhulp zijn praktisch onbestaande. Mensen die in hun professionele loopbaan geconfronteerd worden met slachtoffers en daders zijn vaak onvoldoende opgeleid in de problematiek. De middelen om hieraan tegemoet te komen zijn vrijwel onbestaande. Slachtoffers zijn niet altijd voldoende geïnformeerd over hun rechten en over de hulpverlening die er bestaat.CommentaarHet gelijkheidsprincipe, het partnerschap tussen mannen en vrouwen en het respect voor de menselijke waardigheid moeten overheersen in alle aspecten van het leven en de maatschappij. Dit alles vereist een grondige mentaliteitsverandering. Een mentaliteitsverandering vraagt een aanhoudende aandacht in de opvoeding, zowel thuis als op school, en in de maatschappij. Hiervoor zijn van informatie- en sensibiliseringscampagnes nodig. We stellen vast dat hiervoor vaak de nodige middelen ontbreken waardoor er nog steeds een taboe heerst betreffende geweld en dit in al zijn vormen.Eisen en aanbevelingenDe gezamenlijke overheden moeten in overleg met het werkveld, het middenveld en de vrouwenorganisaties:
Pas de wetten toe !VaststellingEr bestaan al wetten inzake bescherming van het slachtoffer en de vervolging van de dader. In de praktijk wordt daar echter te weinig gebruik van gemaakt. De opeising van de rechten van het slachtoffer wordt vaak afgeremd door een gebrek aan bescherming en door te lange en te dure procedures.De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Vrouwenverdrag en het Peking Eisenplatform proclameren de gelijkheids- en non-discriminatie beginselen, maar dit blijkt niet van toepassing op vrouwen en meisjes. Nochtans zijn zij vooral en overal het slachtoffer van geweld op basis van sociale, culturele of religieuze motieven, zoals de seksuele mutilaties en gedwongen huwelijken, meisjes- en vrouwenhandel voor seksuele exploitatie. CommentaarDe verschillende wetten die er zijn worden niet altijd consequent toegepast. Hierdoor is er bij de slachtoffers een vorm van wantrouwen tegenover deze wetten en angst voor eventuele wraak van de dader. Het regelmatig seponeren speelt hierin een grote rol. Verder is er ook veel te weinig informatie over deze wetgeving in een eenvoudige en bevattelijke taal.Het is pijnlijk te moeten vaststellen dat de Verklaringen van de Rechten van de Mens niet van toepassing zijn op vrouwen en meisjes alsof zij geen Mensen zijn. Ook in het asielbeleid wordt er te weinig rekening gehouden met het feit dat vrouwen asiel zoeken omdat zij slachtoffer zijn van geweld, verkrachting en discriminatie juist omdat zij vrouw zijn. Eisen en aanbevelingenDe overheden moeten bijdragen tot:
Vrouwen zijn geen oorlogswapen !VaststellingHet moedwillig schenden van de mensenrechten van vrouwen in oorlogstijd is vaak onderdeel van militaire strategieën. Zowel regeringen als gewapende oppositiegroepen gebruiken verkrachting en andere vormen van geweld als oorlogswapen met als doel intimidatie, dwang en etnische zuivering.CommentaarNog steeds wordt er vastgesteld dat in oorlogssituaties en in conflictgebieden de verkrachting van vrouwen en meisjes gebruikt wordt als middel van oorlogsvoering. Zelfs door hen die moeten waken over de veiligheid van de bevolking en aanwezig zijn in deze conflictgebieden om de vredesakkoorden te doen respecteren.Vrouwen en meisjes worden gebruikt en misbruikt om etnische zuiveringen toe te passen en de hele gemeenschap te ontwrichten. Eisen en aanbevelingenDaarom moeten de overheden:
Geen oplossingen zonder kennisVaststellingOm een goed beleid te kunnen voeren, is meer wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk.CommentaarReeds uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek onderbouwt de problematiek van geweld op vrouwen sinds de jaren 70. Deze onderzoeken hebben het vooral over fysiek en seksueel geweld. Psychisch en maatschappelijk geweld ontbreken in het lijstje.Ook evaluatie en vergelijkende studies zijn dringend nodig om een goed beleid te kunnen voeren. Nieuw onderzoek is noodzakelijk om een eigentijds beleid uit te bouwen en om aan preventie te doen. Eisen en aanbevelingen:Daarom moeten de overheden:
EISEN OVER ARMOEDE Collectieve voorzieningen opwaarderen en uitbreidenVaststellingDe non-profit sector heeft zich in de tweede helft van de 20ste eeuw ontwikkeld in het verlengde van de activiteiten die in de privé sfeer werden georganiseerd door vrouwen (kinder- en bejaardenzorg, educatieve activiteiten,enz). Vandaag de dag is in België de sector goed voor 1/5 van de banen in loonverband (+⁄- 800.000 banen, maar slechts +⁄- 580.000 voltijds equivalent). Een groot aantal werkneemsters werkt bijgevolg deeltijds. De mensen zijn vaak vrij hooggeschoold (verpleegsters, opvoeders⁄opvoedsters, onderwijzend personeel,enz) maar krijgen een relatief laag loon vergeleken bij de profit sectoren.Het is nochtans zo dat in talrijke sectoren, ondanks een groot aantal werknemers en werkneemsters, er onvoldoende mensen worden gevonden en dat de vraag groter blijft dan het aanbod. Dat is voornamelijk zo in de opvangcentra voor kleuters en peuters. Dankzij de vakbondsmobilisatie en de (vaak driepartijen) onderhandelingen is de situatie al aanzienlijk verbeterd maar er blijven nog heel wat problemen onopgelost en men vreest dan ook terecht voor een non-profit sector die zou overgeleverd zijn aan de markt of toch op zijn minst aan de logica van die markt. CommentaarAls de sector, of hij dan openbaar is of het om verenigingen gaat, zich volgens een andere logica dan de markt zou kunnen ontwikkelen, kunnen we hier een aantal feiten op een rijtje zetten die ons het tegenovergestelde doen vrezen.De groeivertraging van de economie, het stijgende aantal werklozen maar vooral het beleid van de verschillende regeringen (federale, gewestelijke en gemeenschapsregeringen) brengen al jaren lang de non-profit sector in gevaar. De invloed van de profit logica wordt duidelijk aangevoeld in de manier waarop instellingen worden beheerd, in de sociale relaties en ook in het beleid in het kader van de globalisering (AGCS, Bolkestein,enz). De werkneemsters van de non-profit sector werken vaak in moeilijke omstandigheden, ondergaan mentaal heel wat druk en moeten steeds flexibeler zijn. De onzekere financiering van de sector is er ook verantwoordelijk voor dat heel wat banen tijdelijke banen zijn. Vele banen worden gesubsidieerd via «substatuten». In plaats van de bestaande verenigingen op te waarderen, geeft de overheid er momenteel de voorkeur aan dienstencheques te ontwikkelen in de sector van "schoonmaak aan huis" en beweert op die manier "zwartwerk" aan te pakken. Alsof zwartwerk vooral in deze sector zou bestaan. Een grotere werklast, meer flexibiliteit, verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, kwetsbare posities, en schuldgevoelens ten overstaan van de gebruikers, zijn het dagdagelijkse lot van de werkneemsters en werknemers in deze sectoren. Deze werknemers worden overigens steeds vaker geconfronteerd met een heuse sociale dumping en dat ligt nu eenmaal aan de minderwaardige statuten die verantwoordelijk zijn voor de gebrekkige sociale en professionele erkenning (en bijgevolg lagere lonen). De loopbanen zijn vaak onvolledig (wat gevolgen heeft voor een aantal rechten waaronder het recht op een waardig pensioen). Noteren we ook dat dit probleem lang niet alleen in België bestaat. In alle landen valt de neoliberale politiek de openbare diensten en de non-profit sectoren aan en berokkent alzo aanzienlijk schade aan het sociale stelsel. Eisen en aanbevelingen
Dienstencheques = ondergewaardeerd huishoudelijk werkVaststellingDe Belgische regering heeft in juli 2001 dienstencheques uitgebracht om zwartwerk te bestrijden, om banen te scheppen en in te gaan op sociale behoeften.Deze dienstencheques worden gebruikt om schoonmaak- en huishoudelijk werk te vergoeden. De organisatie van deze diensten werd toevertrouwd aan erkende maatschappijen: commerciële ondernemingen, vzw's, ziekenfondsen, maatschappijen met maatschappelijk doel, O. C. M.W. en uitzendbedrijven. Een dienstencheque kost de gebruiker 6,70 €/per uur en 30 % van dit bedrag is fiscaal aftrekbaar. CommentaarDe doelstellingen zijn:
Er moet een collectief antwoord worden gevonden om aan die verzuchting tegemoet te komen. Dit houdt in: voor iedereen toegankelijke diensten maar ook een beleid dat aanzet tot een betere taakverdeling in de gezinnen. Dit systeem komt de privé-sector en de commerciële sector ten goede maar druist in tegen collectieve solidariteit. Het bedrag van de dienstencheque is voor iedereen hetzelfde en is fiscaal aftrekbaar. Bijgevolg is het gunstiger voor mensen met hoge inkomens. Voor mensen met een laag inkomen is de dienstencheque te duur en zij kunnen hem onmogelijk van hun belastingen aftrekken omdat hun inkomen onder de belastbare drempel blijft. Men houdt bovendien geen rekening met de noden en de dringendheid van de aanvraag. Wie eerst komt, eerst maalt. De Staat brengt de toekomst van de collectieve diensten voor thuishulp in gevaar. De dienstencheques geven een totaal verschillende betekenis aan de sociale definitie van toegekende subsidie. De subsidie van de overheid toegekend aan de collectieve diensten is het voorwerp van een sociale herverdeling en houdt rekening met de nood aan hulp en het inkomensniveau van de gebruikers. De dienstencheques zijn bestemd voor huishoudelijk gebruik maar er wordt geen controle uitgeoefend op oneigenlijk gebruik wat nochtans bestaat. Het Vlaamse gewest heeft het gebruik van de dienstencheques nu ook uitgebreid tot de kinderopvangsector. Er bestaan nochtans erkende diensten die hierdoor onder druk komen te staan. Deze bestaande diensten werken met geschoold personeel en bieden stabiele jobs en permanente opleiding. Ze verzekeren een omkadering die rekening houdt met de ontwikkelingen in de situatie van de gebruikers. De dienstencheque - banen zijn minderwaardige en bijna altijd deeltijdse banen. Het gaat zelfs vaak om minder dan een halftijdse baan die slecht betaald wordt en vaak geen enkele vorm van opleiding biedt. Huishoudelijk werk is nochtans complex, afwisselend en zwaar. Alleen al omwille van het feit dat je bij de gebruikers in huis komt, vereist dit een specifieke kwaliteit en dus opleiding, steun en begeleiding. Zonder opleiding kunnen de betrokken werkneemsters niet uit het circuit van de dienstencheques stappen en kunnen ze bijgevolg geen betere baan krijgen met een degelijk statuut en loon waardoor ze meer autonomie verwerven. In de non-profit sector worden er nu aarzelend initiatieven genomen op het gebied van vorming van de werkneemsters maar het is nog lang niet voldoende. In de commerciële sector en in de uitzendsector is er gewoonweg geen vorming. Het systeem van de dienstencheques stelt het huishoudelijke werk gelijk met een weinig geapprecieerd "jobje" dat bovendien diskwalificerend is. Waardoor onze eisen betreffende gelijke taakverdeling nog moeilijker afdwingbaar worden. De verdeling op het gebied van huishoudelijk werk en ouderlijke taken, de verzoeningsmaatregelen en de maatregelen ter verbetering van de levenskwaliteit zijn essentieel om naar een samenleving met meer gelijkheid toe te groeien. Eisen en aanbevelingenHet stelsel van de dienstencheques moet grondig geëvalueerd worden:
Vrouwen verdienen beter – gelijk loon voor gelijk werkVaststellingDe gemiddelde loonkloof tussen mannen en vrouwen bedraagt vandaag in België nog steeds 24% in bruto jaarloon en 12% in bruto uurloon. Concreet betekent dit dat vrouwen gemiddeld drie maanden extra moeten werken om hetzelfde jaarloon van een man te krijgen.Mannen verdienen in België gemiddeld ongeveer 2,41 € per uur meer dan vrouwen. Bijna de helft van de loonkloof (1,15 € per uur) is toe te schrijven aan het feit dat vrouwen een andere arbeidsmarktpositie innemen: meer werken in beroepen, sectoren en functies die doorgaans minder betalen; hun loopbaan meer onderbreken; meer deeltijds werken; minder opleiding en vorming genieten en minder doorstromen. Ruim de helft van de loonkloof (1,26 € per uur) is echter (nog) niet verklaard. De loonkloof tussen vrouwen en mannen verschilt naargelang: de sector (hoe "rijker" de sector, hoe groter de loonkloof, grotere loonkloof in de privé-sector); de grootte van de bedrijven (grotere loonkloof in grotere bedrijven); het statuut van de werknemers (grotere loonkloof bij bedienden en kaders). Bij arbeiders is de loonkloof tussen vrouwen en mannen procentueel iets kleiner, maar gezien ze doorgaans minder verdienen weegt dit verschil zwaarder door. Commentaar"België is een goede leerling in Europa want kent één van de kleinste loonkloven tussen vrouwen en mannen" is de boodschap die we vaak horen. Sinds midden jaren '90 heeft België, ondanks een behoorlijk wetgevend kader en de loonevolutie, echter nauwelijks vooruitgang geboekt! Uit het recente rapport van de Europese Commissie (2005) blijkt zelfs dat de loonkloof tussen 1998 en 2003 in België is toegenomen.Een deel van die loonkloof kan "verklaard" worden door zogenaamde objectieve factoren: deeltijds werken, concentratie in bepaalde sectoren, beroepen, functies, enz. Dit betekent echter niet dat deze zogenaamde objectieve factoren niet discriminerend zouden zijn en niet bijgestuurd moeten worden! Er wordt vaak gezegd dat vrouwen de loonkloof zelf in de hand werken, er zelf voor kiezen maar ook deze keuzekwestie moet sterk gerelativeerd worden:
Eisen en aanbevelingenEr is dringend werk aan de winkel! Vooral omdat de lonen vandaag ook de sociale zekerheidsrechten en de latere pensioenen bepalen!De Wereldvrouwenmars vraagt :
Individualisering van de fiscale rechtenVastellingHet huwelijksquotiënt is een erg gender gebonden en ongelijk fiscaal voordeel. Het geeft ons fiscaal stelsel een erg patriarchaal beeld van de samenleving. Het huwelijksquotiënt beginsel is eenvoudig. Het wil op een fictieve manier een gedeelte van het inkomen van de hoofdbelastingbetaler toekennen aan de volwassene die ten laste is. De belasting wordt berekend op basis van dit inkomen alsof het door de persoon zelf was verdiend.CommentaarHet is een onrechtvaardig stelsel met een progressieve belastingsverlaging. Anders gezegd, het voordeel van het huwelijksquotiënt groeit met het inkomensniveau. Het wordt toegekend ook al heeft de echtgenote een andere bron van inkomsten, zoals vastgoed of een aandelenportefeuille. Het is dus een echt fiscaal voordeel voor de hoge inkomens omdat het huwelijksquotiënt meer kan opbrengen dan wat de echtgenote in loonverband verdient. Als vrouwen er dan toch voor kiezen buitenhuis te gaan werken, lopen ze het risico hun netto beschikbaar loon te zien dalen en dus ook de levensstandaard van hun gezin.Het huwelijksquotiënt wil de vrouwen van de arbeidsmarkt weghouden.Het werd goedgekeurd in 1989 op het ogenblik van de fiscale hervorming en had, al dan niet gewild, de bedoeling de vrouwen van de arbeidsmarkt weg te houden om de werkloosheidsstatistieken niet nog meer de hoogte in te jagen. Het jaarlijkse kostenplaatje van deze maatregel wordt op 1,6 miljard € geschat (64 miljard Belgische franken!) en is goed voor 1,5% van de totale staatsinkomsten.Het huwelijksquotiënt druist in tegen het principe van de herverdeling. Dankzij de techniek van het huwelijksquotiënt kan de persoon die het grootste inkomen heeft (in 98 % van de gevallen de echtgenoot of de samenwonende) dubbel zo veel voordeel halen uit de fiscale voordelen op zijn inkomsten en op de inkomensschijf die hij fictief op zijn echtgenote heeft overgeheveld. Het kan gaan om een korting voor lange termijnsparen en ook kinderopvang of huispersoneel. De belastingsverlaging toegekend omwille van een partner ten laste kan dus bijna worden gelijkgesteld met zes kinderen ten laste. Waar kan je hier nog spreken over sociale rechtvaardigheid ?Het huwelijksquotiënt beantwoordt niet aan de gezinsbehoeften. Een aantal mensen verantwoorden dit huwelijksquotiënt als gezinsbeleid. Men moest gezinnen met kinderen waarvan de moeder thuis blijft steunen. Het was een manier om dit educatieve werk te herkennen. Maar, meer dan de helft van de begunstigden van het huwelijksquotiënt hebben geen kinderen ten laste of hebben er geen meer ten laste.Als het huwelijksquotiënt bedoeld is om huishoudelijk werk te ondersteunen, mag men zich terecht afvragen waarom alleenstaanden en gezinnen met twee inactieven er helemaal niet kunnen van genieten. We begrijpen evenmin waarom tweeverdienergezinnen die na hun werk toch nog huishoudelijk werk moeten doen, van deze maatregel niet zouden mogen genieten. Er is ten slotte ook niets wat verantwoordt dat de waarde van deze activiteit stijgt met het inkomen van de partner. Het huwelijksquotiënt druist radicaal in tegen het gelijke kansen beleid. Wanneer de echtgenote thuis blijft zit ze na een feitelijke of echtelijke scheiding zonder inkomen behalve als ze alimentatiegeld krijgt, wat vandaag slechts in 60% van de gevallen betaald wordt. Dit alimentatiegeld brengt slechts weinig geld in de staatskas omdat dit voor de schuldenaar fiscaal aftrekbaar is en het kost de Staat geld omdat de Staat, onder bepaalde voorwaarden, een voorschot geeft op pensioenen die niet via DAVO (Dienst voor alimentatievorderingen) zijn gestort.Het is ook ongezond dat in een koppel de partner die het hoogste inkomen verdient en die van dit fiscaal voordeel geniet, zou beslissen over het lot van de andere en zelfs zou kunnen oordelen of het al dan niet opportuun is dat de partner zou werken en een eigen inkomen zou hebben. Dit is tegenstrijdig met het beginsel van de gelijke rechten voor beide partners. Het huwelijksquotiënt is een onrechtstreekse discriminatie ten overstaan van de vrouwen aangezien, statistisch gezien, in 98 % van de gevallen, de fiscale aftrek gebeurt op basis van het loon van de mannen. Deze maatregel is in strijd met de doelstellingen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen en ondermijnt alle inspanningen die zijn geleverd om gelijke kansen te garanderen met betrekking tot de toegang van de vrouwen tot de arbeidsmarkt. Het huwelijksquotiënt, dat wordt opgenomen in de berekening van de professionele voorheffing, draagt bovendien bij tot een grotere ongelijkheid tussen de lonen van mannen en vrouwen. Als men de lonen vergelijkt van twee collega's met een kind ten laste, de ene met zijn vrouw thuis en de andere vrijgezel. Zij voeren de dezelfde taken uit, verdienen eenzelfde bruto belastbaar inkomen en hebben dezelfde lasten. De werkneemster zal hogere belasting moeten betalen dan de werknemer terwijl zij eigenlijk minder kan bijdragen. Eisen en aanbevelingenDe wereldvrouwenmars vraagt:
Competenties van vrouwen : onbekend + onbenut + ondergewaardeerdVaststellingVrouwen hebben het in België nog steeds moeilijk om een baan te vinden. Ze zijn laaggeschoold of hebben niet het juiste diploma; of ze zijn hooggeschoold, allochtoon, en hun diploma is hier niet erkend.Voor deze vrouwen die geen diploma (meer)hebben is het belangrijk dat zij een job kunnen vinden op basis van hun kwaliteiten en eerder of elders verworven competenties. De erkenning van hun kwaliteiten / competenties of EVC (Elders Verworven Competenties) kan een uitweg zijn. De erkenning van buitenlandse diploma's en competenties van hooggeschoolde vrouwelijke vluchtelingen en nieuwkomers heeft een onmiskenbaar belang in het kader van hun emancipatie, inburgering en doorstroming naar de arbeidsmarkt of opleidingen. De erkenning van kwaliteiten, ervaring, kennis en vaardigheden opgedaan buiten de schoolbanken of binnen de werksfeer is van groot belang voor de emancipatie en maatschappelijke participatie van alle vrouwen. CommentaarWat zijn eerder of elders verworven competenties? EVC slaat op een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes die men tijdens het leven oppikt en later gebruikt.Enkele concrete voorbeelden ter illustratie:
Het debat rond de erkenning van EVC op de arbeidsmarkt is al een tijdje lopende. Logisch aangezien we stilaan maar zeker naar een "kennismaatschappij" evolueren en daarnaast ook het besef groeit dat de erkenning van EVC kan helpen bij het "optimaal benutten van het menselijk potentieel". De gender-invalshoek en meer bepaald de algemene aandacht voor competenties van vrouwen, voor laaggeschoolde vrouwen en voor vrouwen van buitenlandse afkomst ontbreekt. Meer nog, de verschillende groepen vrouwen zijn onzichtbaar in het debat. Voor elke doelgroep zijn specifieke acties nodig :voor autochtone vrouwen die zich willen omscholen/of voor een nieuw traject willen kiezen, maar ook voor kort- geschoolde vrouwen en voor hooggeschoolde allochtone vrouwen met een diploma dat hier niet van tel is. Eisen en aanbevelingenEr is vandaag de dag een enorm potentieel onder allochtone en autochtone vrouwen aan vaardigheden, kennis en ervaring.De Wereldvrouwenmars vraagt:
Vrouwen: kleine loopbaan, klein salaris, klein pensioenVaststellingVrouwen werken meer deeltijds en onderbreken vaker hun loopbaan dan mannen. Vrouwen kennen meer dan mannen een wisselend loopbaanverloop.Uit RVA gegevens blijkt dat in 2004:
CommentaarOndanks de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen blijft de traditionele taakverdeling tussen vrouwen en mannen bestaan. De voornaamste verantwoordelijkheid van het huishouden ligt bij vrouwen en het zijn zij die hun werktijd in functie daarvan aanpassen. 70% van de vrouwen die deeltijds werken, zeggen dat ze dat doen om de combinatie tussen werk en gezin mogelijk te maken.Anderzijds worden er in bepaalde sectoren en beroepen enkel maar deeltijdse contracten aangeboden. Het gaat hier om de zogenaamde vrouwelijke beroepen, sectoren (schoonmaak, grootwarenhuizen, enz) en functies waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn. Vrouwen werken dus ook meer deeltijds dan mannen omwille van de aard van de sector, het beroep en de functie. Dergelijke deeltijdse contracten zijn een instrument in handen van werkgevers om meer flexibiliteit te realiseren: kleine tijdelijke deeltijdse contracten, weinig tot geen inspraak in het uurrooster, shiften waarvoor men binnen een onredelijk korte termijn kan opgeroepen worden, beschikbaarheid over de ganse werkweek waardoor het onmogelijk wordt een tweede job bij te zoeken. Aan dergelijke jobs zijn bovendien lage lonen gekoppeld. Vrouwen hebben dan ook meer dan mannen nood aan gelijkgestelde periodes (gelijkstelling voor de sociale zekerheid zoals het pensioen, het brugpensioen en dat voor de periodes waarin men niet gewerkt heeft). Mannen kennen een klassieker loopbaanverloop. Daarbij mag men de gevolgen niet ontzien van het optrekken van de pensioenleeftijd van vrouwen van 60 naar 65 jaar. Vrouwen zullen vanaf 2009 net als mannen 45 loopbaanjaren moeten kunnen voorleggen alvorens recht te hebben op een volledig pensioen. Veel vrouwen halen ook vandaag niet het minimumpensioen omwille van veel deeltijds werk en onderbroken periodes. Het verder verstrengen van de voorwaarden voor brugpensioen, zoals het optrekken van de anciënniteitvoorwaarde – een piste van de regering aangekondigd in het kader van het eindeloopbaandebat -, blijkt vooral voor vrouwen een slechte zaak (simulaties RVA september 2005). Eisen en aanbevelingenDe Wereldvrouwenmars vraagt :
De eisen zijn mede gebaseerd op de adviezen van de Raad van de Gelijkheid van Kansen voor mannen en vrouwen naar aanleiding van het debat over de loonongelijkheid De eisen zijn mede gebaseerd op het advies van de Raad van de Gelijkheid van Kansen voor mannen en vrouwen naar aanleiding van het debat over de eindeloopbaan.
Terug naar beginpagina -
Zend een e-mail |