wereldbol met stappende vrouwen van alle kleuren
De Confêttia-eisen
 
Eisen tegen geweld en armoede
Wereldvrouwenmars -
Marche Mondiale des Femmes
WVM - MMF
GSM (**32) - (0)473-89.61.89
e-mail: wereldvrouwenmars@amazone.be
website www.wereldvrouwenmars.be

EISEN OVER GEWELD TEGEN VROUWEN

Stop geweld tegen vrouwen = een politieke prioriteit

Vaststelling

Omdat ze tot het vrouwelijke geslacht behoren zijn vrouwen en meisjes overal ter wereld, het slachtoffer van geweldpleging in huiselijke kring en binnen de gemeenschap, ongeacht hun inkomsten, sociale klasse en cultuur. Dit is het resultaat van een historische machtsverhouding die uiteindelijk heeft geleid tot de heerschappij van de man over de vrouw.
De agressie en geweld jegens meisjes en vrouwen komt voor in de familiekring, in de vertrouwensrelatie, in de gemeenschap en op het werk en uit zich in fysisch, psychisch, seksueel en structureel geweld.

Commentaar

De overheid rekent nog te veel op privé initiatieven en legt te weinig verband tussen geweld op vrouwen en meisjes en hun positie in de maatschappij. Er is te weinig samenwerking tussen de verschillende ministeries die in de globale problematiek betrokken zijn. De problematiek mag niet overgelaten worden aan de ministers van Welzijn of Gelijke Kansen, ook de andere ministers moeten hiertoe bijdragen zoals werkgelegenheid – onderwijs – cultuur. Zolang er geen gecoördineerd beleid komt, is het moeilijk om goede resultaten te bereiken.

Eisen en aanbevelingen

Om de uitdaging aan te gaan van de uitroeiing van alle geweldplegingen op vrouwen en meisjes in familiekring, in de gemeenschap en in elk land, is het noodzakelijk en onontbeerlijk om een globale, multidisciplinaire benadering uit te werken die door de overheid gesteund wordt.

Deze benadering uit zich in:

  • de blijvende erkenning van de problematiek door de overheden en een structureel en continu beleid.
  • een permanente samenwerking met alle vrouwenbewegingen, alle betrokken actoren uit het werkveld en het middenveld, verenigd in een gemeenschappelijk en blijvend overlegplatform, gestructureerd en voorzien van de nodige middelen.
  • Een gelijkekansen beleid dat structureel en continu ondersteund en geëvalueerd wordt in een Emancipatie Effecten Rapportage

Slachtoffer thuis; dader uit huis !

Vaststelling

Om preventief te kunnen werken is een mentaliteitsverandering noodzakelijk. Door een gebrek aan financiële middelen bestaan er onvoldoende specifieke diensten voor dringende hulp zodat onthaalcentra overstelpt worden. Centra voor daderhulp zijn praktisch onbestaande. Mensen die in hun professionele loopbaan geconfronteerd worden met slachtoffers en daders zijn vaak onvoldoende opgeleid in de problematiek. De middelen om hieraan tegemoet te komen zijn vrijwel onbestaande. Slachtoffers zijn niet altijd voldoende geïnformeerd over hun rechten en over de hulpverlening die er bestaat.

Commentaar

Het gelijkheidsprincipe, het partnerschap tussen mannen en vrouwen en het respect voor de menselijke waardigheid moeten overheersen in alle aspecten van het leven en de maatschappij. Dit alles vereist een grondige mentaliteitsverandering. Een mentaliteitsverandering vraagt een aanhoudende aandacht in de opvoeding, zowel thuis als op school, en in de maatschappij. Hiervoor zijn van informatie- en sensibiliseringscampagnes nodig. We stellen vast dat hiervoor vaak de nodige middelen ontbreken waardoor er nog steeds een taboe heerst betreffende geweld en dit in al zijn vormen.

Eisen en aanbevelingen

De gezamenlijke overheden moeten in overleg met het werkveld, het middenveld en de vrouwenorganisaties:
  • infocampagnes organiseren;
  • infocampagnes van het Middenveld ondersteunen;
  • basisopleiding en bijscholing voorzien voor hen die hulp moeten bieden aan slachtoffers zodat deze diensten voorzien zijn van gekwalificeerd personeel;
  • ruimte voorzien in de opleiding en vorming van leerkrachten voor de problematiek van gelijkheid tussen vrouw en man;
  • voldoende permanente financiering van de diensten en onthaalcentra garanderen;
  • aandacht hebben voor nieuwe vormen van opvang;
  • de gevolgen van geweld op de gezondheid van de slachtoffers erkennen en mogelijkheden scheppen om hieraan tegemoet te komen;
  • in een structureel aanbod van specifieke maatregelen voor de begeleiding van de daders voorzien
  • een specifieke richtlijn opstellen voor de parketten met betrekking tot crisisinterventie bij intrafamiliaal geweld: Het slachtoffer thuis – de dader uit huis.

Pas de wetten toe !

Vaststelling

Er bestaan al wetten inzake bescherming van het slachtoffer en de vervolging van de dader. In de praktijk wordt daar echter te weinig gebruik van gemaakt. De opeising van de rechten van het slachtoffer wordt vaak afgeremd door een gebrek aan bescherming en door te lange en te dure procedures.

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Vrouwenverdrag en het Peking Eisenplatform proclameren de gelijkheids- en non-discriminatie beginselen, maar dit blijkt niet van toepassing op vrouwen en meisjes. Nochtans zijn zij vooral en overal het slachtoffer van geweld op basis van sociale, culturele of religieuze motieven, zoals de seksuele mutilaties en gedwongen huwelijken, meisjes- en vrouwenhandel voor seksuele exploitatie.


Commentaar

De verschillende wetten die er zijn worden niet altijd consequent toegepast. Hierdoor is er bij de slachtoffers een vorm van wantrouwen tegenover deze wetten en angst voor eventuele wraak van de dader. Het regelmatig seponeren speelt hierin een grote rol. Verder is er ook veel te weinig informatie over deze wetgeving in een eenvoudige en bevattelijke taal.

Het is pijnlijk te moeten vaststellen dat de Verklaringen van de Rechten van de Mens niet van toepassing zijn op vrouwen en meisjes alsof zij geen Mensen zijn. Ook in het asielbeleid wordt er te weinig rekening gehouden met het feit dat vrouwen asiel zoeken omdat zij slachtoffer zijn van geweld, verkrachting en discriminatie juist omdat zij vrouw zijn.

Eisen en aanbevelingen

De overheden moeten bijdragen tot:
  • de uitwerking van een strafrechtelijk beleid dat leidt tot veroordeling van daders en dat het seponeren door de parketten onmogelijk maakt;
  • de periodieke evaluatie van de wetten betreffende geweld op vrouwen en de effectieve en duurzame bescherming van de slachtoffers van geweld;
  • de ontwikkeling van een nieuwe juridische regelgeving om de strafrechtelijke en burgerrechtelijke procedures te bespoedigen, te vereenvoudigen en de kosten ervan te drukken;
  • de uitbreiding van het strafrecht naar andere vormen van geweld dan louter fysiek en seksueel geweld;
  • het opstellen van een vorderingsrecht voor verenigingen die strijden tegen geweld op vrouwen om zich burgerlijke partij te stellen en dit onafhankelijk van het slachtoffer. Dit recht garanderen door een solidariteitsfonds op te richten om de juridische procedure te financieren;
  • het waken over de naleving en de toepassing van alle internationale verdragen die de fundamentele rechten van de mens waarborgen;
  • het tonen van een blijvende en bijzondere waakzaamheid voor de toepassing van de Verklaring inzake de Uitbanning van Geweld tegenover Vrouwen (New York, 1994);
  • het rekening houden in het Belgische asielbeleid met de Conventie van Genève;
  • het bestrijden van alle vormen van vrouwen- en meisjeshandel door middel van internationale samenwerking en door de slachtoffers adequate bijstand te verlenen.

 

Vrouwen zijn geen oorlogswapen !

Vaststelling

Het moedwillig schenden van de mensenrechten van vrouwen in oorlogstijd is vaak onderdeel van militaire strategieën. Zowel regeringen als gewapende oppositiegroepen gebruiken verkrachting en andere vormen van geweld als oorlogswapen met als doel intimidatie, dwang en etnische zuivering.

Commentaar

Nog steeds wordt er vastgesteld dat in oorlogssituaties en in conflictgebieden de verkrachting van vrouwen en meisjes gebruikt wordt als middel van oorlogsvoering. Zelfs door hen die moeten waken over de veiligheid van de bevolking en aanwezig zijn in deze conflictgebieden om de vredesakkoorden te doen respecteren.

Vrouwen en meisjes worden gebruikt en misbruikt om etnische zuiveringen toe te passen en de hele gemeenschap te ontwrichten.

Eisen en aanbevelingen


Daarom moeten de overheden:

  • de geweldplegingen tegenover vrouwen in oorlogstijd erkennen als oorlogsmisdaden en de veroordeling ervan op internationaal niveau eisen;
  • gemengd samengestelde vredesmissies uitzenden, met speciaal gekwalificeerde hulpverleners voor de opvang en begeleiding van vrouwelijke slachtoffers van geweld en verkrachting.
  • opleidingsprogramma's voor militairen ontwikkelen om hen te sensibiliseren zodat ook zij aandacht krijgen voor seksueel geweld, de sociale en culturele oorzaken hiervan en de gevolgen voor de slachtoffers.
  • de militairen die strafbare feiten hebben gepleegd tijdens hun buitenlandse opdracht gerechtelijk vervolgen en de slachtoffers van geweld een schadevergoeding betalen.

Geen oplossingen zonder kennis

Vaststelling

Om een goed beleid te kunnen voeren, is meer wetenschappelijk onderzoek noodzakelijk.

Commentaar

Reeds uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek onderbouwt de problematiek van geweld op vrouwen sinds de jaren 70. Deze onderzoeken hebben het vooral over fysiek en seksueel geweld. Psychisch en maatschappelijk geweld ontbreken in het lijstje.

Ook evaluatie en vergelijkende studies zijn dringend nodig om een goed beleid te kunnen voeren. Nieuw onderzoek is noodzakelijk om een eigentijds beleid uit te bouwen en om aan preventie te doen.

Eisen en aanbevelingen:

Daarom moeten de overheden:

  • de problematiek van geweld op vrouwen met wetenschappelijk onderzoek onderbouwen;
  • precieze en actuele statistieken over de problematiek laten opmaken en regelmatig bijwerken. Hierin ook de problematiek van het seponeren opnemen;
  • de bestaande onderzoeken regelmatig updaten;
  • nieuwe onderzoeken over geweldpleging op vrouwen en meisjes en de gevolgen ervan op de gezondheid en de economie laten uitvoeren;
  • onderzoeken over preventie en nieuwe opvangmogelijkheden uitvoeren;
  • een federaal onderzoekscentrum creëren, van waaruit nationale en internationale onderzoeksresultaten verspreid kunnen worden.

EISEN OVER ARMOEDE

Collectieve voorzieningen opwaarderen en uitbreiden

Vaststelling

De non-profit sector heeft zich in de tweede helft van de 20ste eeuw ontwikkeld in het verlengde van de activiteiten die in de privé sfeer werden georganiseerd door vrouwen (kinder- en bejaardenzorg, educatieve activiteiten,enz). Vandaag de dag is in België de sector goed voor 1/5 van de banen in loonverband (+⁄- 800.000 banen, maar slechts +⁄- 580.000 voltijds equivalent). Een groot aantal werkneemsters werkt bijgevolg deeltijds. De mensen zijn vaak vrij hooggeschoold (verpleegsters, opvoeders⁄opvoedsters, onderwijzend personeel,enz) maar krijgen een relatief laag loon vergeleken bij de profit sectoren.

Het is nochtans zo dat in talrijke sectoren, ondanks een groot aantal werknemers en werkneemsters, er onvoldoende mensen worden gevonden en dat de vraag groter blijft dan het aanbod. Dat is voornamelijk zo in de opvangcentra voor kleuters en peuters.

Dankzij de vakbondsmobilisatie en de (vaak driepartijen) onderhandelingen is de situatie al aanzienlijk verbeterd maar er blijven nog heel wat problemen onopgelost en men vreest dan ook terecht voor een non-profit sector die zou overgeleverd zijn aan de markt of toch op zijn minst aan de logica van die markt.

Commentaar

Als de sector, of hij dan openbaar is of het om verenigingen gaat, zich volgens een andere logica dan de markt zou kunnen ontwikkelen, kunnen we hier een aantal feiten op een rijtje zetten die ons het tegenovergestelde doen vrezen.

De groeivertraging van de economie, het stijgende aantal werklozen maar vooral het beleid van de verschillende regeringen (federale, gewestelijke en gemeenschapsregeringen) brengen al jaren lang de non-profit sector in gevaar. De invloed van de profit logica wordt duidelijk aangevoeld in de manier waarop instellingen worden beheerd, in de sociale relaties en ook in het beleid in het kader van de globalisering (AGCS, Bolkestein,enz).

De werkneemsters van de non-profit sector werken vaak in moeilijke omstandigheden, ondergaan mentaal heel wat druk en moeten steeds flexibeler zijn.

De onzekere financiering van de sector is er ook verantwoordelijk voor dat heel wat banen tijdelijke banen zijn. Vele banen worden gesubsidieerd via «substatuten». In plaats van de bestaande verenigingen op te waarderen, geeft de overheid er momenteel de voorkeur aan dienstencheques te ontwikkelen in de sector van "schoonmaak aan huis" en beweert op die manier "zwartwerk" aan te pakken. Alsof zwartwerk vooral in deze sector zou bestaan.

Een grotere werklast, meer flexibiliteit, verslechtering van de arbeidsvoorwaarden, kwetsbare posities, en schuldgevoelens ten overstaan van de gebruikers, zijn het dagdagelijkse lot van de werkneemsters en werknemers in deze sectoren. Deze werknemers worden overigens steeds vaker geconfronteerd met een heuse sociale dumping en dat ligt nu eenmaal aan de minderwaardige statuten die verantwoordelijk zijn voor de gebrekkige sociale en professionele erkenning (en bijgevolg lagere lonen). De loopbanen zijn vaak onvolledig (wat gevolgen heeft voor een aantal rechten waaronder het recht op een waardig pensioen).

Noteren we ook dat dit probleem lang niet alleen in België bestaat. In alle landen valt de neoliberale politiek de openbare diensten en de non-profit sectoren aan en berokkent alzo aanzienlijk schade aan het sociale stelsel.

Eisen en aanbevelingen

  • De non-profit sector promoten als een onmisbare sector voor een goede werking van een solidaire samenleving.
  • De rechten en het statuut en de arbeidsomstandigheden van de werkneemsters en werknemers van de sector verdedigen en verbeteren.
  • Gelijkheid tussen vrouwen en mannen bewerkstelligen op het gebied van beroepserkenning opdat dit zou leiden tot betere arbeidsvoorwaarden en hogere lonen .
  • Degelijk uitgebouwde, kwaliteitsvolle, betaalbare openbare diensten waarborgen!

Dienstencheques = ondergewaardeerd huishoudelijk werk

Vaststelling

De Belgische regering heeft in juli 2001 dienstencheques uitgebracht om zwartwerk te bestrijden, om banen te scheppen en in te gaan op sociale behoeften.

Deze dienstencheques worden gebruikt om schoonmaak- en huishoudelijk werk te vergoeden. De organisatie van deze diensten werd toevertrouwd aan erkende maatschappijen: commerciële ondernemingen, vzw's, ziekenfondsen, maatschappijen met maatschappelijk doel, O. C. M.W. en uitzendbedrijven.

Een dienstencheque kost de gebruiker 6,70 €/per uur en 30 % van dit bedrag is fiscaal aftrekbaar.

Commentaar

De doelstellingen zijn:
  • Duurzame banen creëren:
    kan men over duurzame banen spreken wanneer men met een uitzend- of een tijdelijk contract werkt of totaal geen opleiding heeft genoten?
  • Zwartwerk omvormen tot regulier werk:
    Is het niet de gebruiker die geniet van het "zwart"; hij betaalt noch sociale bijdragen, noch voorheffing voor de werknemer. Het is de Staat die alles financiert.
  • Het PWA statuut omvormen tot werknemerstatuut:
    De voorwaarden die aan de mensen die in het kader van de dienstencheques werken worden aangeboden, zijn zo weinig aantrekkelijk dat slechts weinigen in zo een statuut stappen.
  • Verzoening van gezinsleven en beroepsleven vergemakkelijken

Er moet een collectief antwoord worden gevonden om aan die verzuchting tegemoet te komen. Dit houdt in: voor iedereen toegankelijke diensten maar ook een beleid dat aanzet tot een betere taakverdeling in de gezinnen.

Dit systeem komt de privé-sector en de commerciële sector ten goede maar druist in tegen collectieve solidariteit. Het bedrag van de dienstencheque is voor iedereen hetzelfde en is fiscaal aftrekbaar. Bijgevolg is het gunstiger voor mensen met hoge inkomens. Voor mensen met een laag inkomen is de dienstencheque te duur en zij kunnen hem onmogelijk van hun belastingen aftrekken omdat hun inkomen onder de belastbare drempel blijft. Men houdt bovendien geen rekening met de noden en de dringendheid van de aanvraag. Wie eerst komt, eerst maalt.

De Staat brengt de toekomst van de collectieve diensten voor thuishulp in gevaar. De dienstencheques geven een totaal verschillende betekenis aan de sociale definitie van toegekende subsidie. De subsidie van de overheid toegekend aan de collectieve diensten is het voorwerp van een sociale herverdeling en houdt rekening met de nood aan hulp en het inkomensniveau van de gebruikers.

De dienstencheques zijn bestemd voor huishoudelijk gebruik maar er wordt geen controle uitgeoefend op oneigenlijk gebruik wat nochtans bestaat.

Het Vlaamse gewest heeft het gebruik van de dienstencheques nu ook uitgebreid tot de kinderopvangsector. Er bestaan nochtans erkende diensten die hierdoor onder druk komen te staan. Deze bestaande diensten werken met geschoold personeel en bieden stabiele jobs en permanente opleiding. Ze verzekeren een omkadering die rekening houdt met de ontwikkelingen in de situatie van de gebruikers.

De dienstencheque - banen zijn minderwaardige en bijna altijd deeltijdse banen. Het gaat zelfs vaak om minder dan een halftijdse baan die slecht betaald wordt en vaak geen enkele vorm van opleiding biedt. Huishoudelijk werk is nochtans complex, afwisselend en zwaar. Alleen al omwille van het feit dat je bij de gebruikers in huis komt, vereist dit een specifieke kwaliteit en dus opleiding, steun en begeleiding. Zonder opleiding kunnen de betrokken werkneemsters niet uit het circuit van de dienstencheques stappen en kunnen ze bijgevolg geen betere baan krijgen met een degelijk statuut en loon waardoor ze meer autonomie verwerven.

In de non-profit sector worden er nu aarzelend initiatieven genomen op het gebied van vorming van de werkneemsters maar het is nog lang niet voldoende. In de commerciële sector en in de uitzendsector is er gewoonweg geen vorming.

Het systeem van de dienstencheques stelt het huishoudelijke werk gelijk met een weinig geapprecieerd "jobje" dat bovendien diskwalificerend is. Waardoor onze eisen betreffende gelijke taakverdeling nog moeilijker afdwingbaar worden. De verdeling op het gebied van huishoudelijk werk en ouderlijke taken, de verzoeningsmaatregelen en de maatregelen ter verbetering van de levenskwaliteit zijn essentieel om naar een samenleving met meer gelijkheid toe te groeien.

Eisen en aanbevelingen

Het stelsel van de dienstencheques moet grondig geëvalueerd worden:

  • werkgevers en in het bijzonder erkende agentschappen (commerciële bedrijven, vzw's, ziekenfondsen, ondernemingen met maatschappelijk doel, O. C. M.W's en uitzendbedrijven) controleren op naleving van arbeidswetgeving en –regels.
  • welke banen zijn er werkelijk gecreëerd en daarbij een onderscheid maken tussen het scheppen van banen en verschuivingen: PWA-banen naar dienstencheque-banen/ Geko-banen naar dienstencheque-banen.
  • welke is de impact van dit individuele subsidiebeleid op de toekomstige ontwikkeling van collectieve diensten die op solidariteit zijn gebaseerd?
  • het geld dat de Staat heeft vrijgemaakt voor de dienstencheques moet volledig worden gebruikt om kwaliteitsbanen van lange duur in de sector collectieve buurtdiensten te garanderen.
  • de werkneemsters die in het systeem van dienstencheques werken, moeten recht hebben op een opleidingsplan om hen de kans te bieden een correcte baan te betrekken, voornamelijk in een collectieve dienst.
  • er moeten gelijke verzoeningsmaatregelen en maatregelen ter verbetering van de levenskwaliteit worden ontwikkeld om in te gaan op de nieuwe sociale behoeften.

Vrouwen verdienen beter – gelijk loon voor gelijk werk

Vaststelling

De gemiddelde loonkloof tussen mannen en vrouwen bedraagt vandaag in België nog steeds 24% in bruto jaarloon en 12% in bruto uurloon. Concreet betekent dit dat vrouwen gemiddeld drie maanden extra moeten werken om hetzelfde jaarloon van een man te krijgen.

Mannen verdienen in België gemiddeld ongeveer 2,41 € per uur meer dan vrouwen. Bijna de helft van de loonkloof (1,15 € per uur) is toe te schrijven aan het feit dat vrouwen een andere arbeidsmarktpositie innemen: meer werken in beroepen, sectoren en functies die doorgaans minder betalen; hun loopbaan meer onderbreken; meer deeltijds werken; minder opleiding en vorming genieten en minder doorstromen. Ruim de helft van de loonkloof (1,26 € per uur) is echter (nog) niet verklaard.

De loonkloof tussen vrouwen en mannen verschilt naargelang: de sector (hoe "rijker" de sector, hoe groter de loonkloof, grotere loonkloof in de privé-sector); de grootte van de bedrijven (grotere loonkloof in grotere bedrijven); het statuut van de werknemers (grotere loonkloof bij bedienden en kaders). Bij arbeiders is de loonkloof tussen vrouwen en mannen procentueel iets kleiner, maar gezien ze doorgaans minder verdienen weegt dit verschil zwaarder door.

Commentaar

"België is een goede leerling in Europa want kent één van de kleinste loonkloven tussen vrouwen en mannen" is de boodschap die we vaak horen. Sinds midden jaren '90 heeft België, ondanks een behoorlijk wetgevend kader en de loonevolutie, echter nauwelijks vooruitgang geboekt! Uit het recente rapport van de Europese Commissie (2005) blijkt zelfs dat de loonkloof tussen 1998 en 2003 in België is toegenomen.

Een deel van die loonkloof kan "verklaard" worden door zogenaamde objectieve factoren: deeltijds werken, concentratie in bepaalde sectoren, beroepen, functies, enz. Dit betekent echter niet dat deze zogenaamde objectieve factoren niet discriminerend zouden zijn en niet bijgestuurd moeten worden!

Er wordt vaak gezegd dat vrouwen de loonkloof zelf in de hand werken, er zelf voor kiezen maar ook deze keuzekwestie moet sterk gerelativeerd worden:

  • Keuzes worden mede bepaald door externe factoren: meisjes en jongens worden in bepaalde onderwijsrichtingen geduwd ; zogenaamde vrouwenberoepen, –sectoren en –functies zijn nog steeds ondergewaardeerd; kinderopvang of zorgvoorzieningen zijn nog steeds onvoldoende uitgebouwd.
  • In een aantal gevallen gaat het duidelijk niet om een keuze. Denk maar aan bepaalde jobs in bepaalde sectoren, die enkel op deeltijdse basis worden aangeboden (bijvoorbeeld grootwarenhuizen, schoonmaak).
  • In een aantal gevallen gaat het zelfs om "pure& discriminaties op de werkvloer: vrouwen krijgen bijvoorbeeld in bepaalde sectoren, bedrijven geen toegang of komen voor bepaalde functies niet in aanmerking.

Eisen en aanbevelingen

Er is dringend werk aan de winkel! Vooral omdat de lonen vandaag ook de sociale zekerheidsrechten en de latere pensioenen bepalen!

De Wereldvrouwenmars vraagt :

  • dan ook, vanuit een rechtvaardigheidsprincipe maar tevens vanuit de bekommernis voor de latere pensioenen van de werkende vrouwen, een versnelde inhaalbeweging om de loonkloof tussen vrouwen en mannen te dichten. Dit impliceert onder andere:
  • dat het dichten van de loonkloof tussen V/M absoluut prioriteit moet krijgen en een permanent aandachtspunt moet zijn op de beleidsagenda(’s) van de beleidsmakers en van de sociale gesprekspartners;
  • dat de evolutie van de loonkloof en de onderliggende oorzaken nauwkeurig en regelmatig moet worden opgevolgd en dat er dus werk moet worden gemaakt van transparante cijfergegevens alsook onderzoek met betrekking tot de oorzaken van de loonkloof;
  • dat de overheden roldoorbrekende campagnes moeten voeren, zowel met betrekking tot het onderwijs als met de arbeidsmarkt, om de concentratie van meisjes – vrouwen ⁄ jongens – mannen in specifieke sectoren en beroepen tegen te gaan;
  • dat de overheden de nodige overheidsmiddelen ter beschikking moeten stellen om sensibiliseringscampagnes te ontwikkelen en te ondersteunen.
  • daarnaast ook van alle betrokken partijen meer inspanningen om de oorzaken van de loonongelijkheid aan te pakken op de arbeidsmarkt. Dit impliceert onder andere :
  • de herlancering van positieve actieplannen, afdwingbaar en binnen een kader van een genderbewust personeelsbeleid ;
  • meer aandacht voor vorming en opleiding bij vrouwen, met name voor laaggeschoolde vrouwen en vrouwen die willen doorgroeien naar managementfuncties of technische functies ;
  • de verbetering van de rechten van de deeltijdse werknemers waaronder de uitbreiding van het recht op betaald educatief verlof (nu enkel mogelijk voor voltijds werkenden en mensen die 4/5 werken) ;
  • dat sekseneutrale analytische functieclassificatiesystemen niet langer een optie mogen blijven voor de werkgevers, maar de algemene regel moeten worden!
  • tenslotte ook dat er in de toekomst "harder& opgetreden wordt tegen discriminaties inzake loonongelijkheid. Dit impliceert onder andere :
  • de nodige knowhow, personeel, financiële middelen en autonomie voor het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en mannen om in de toekomst effectief in rechte te kunnen optreden ;
  • de overweging om de huidige sancties tegen loondiscriminaties te verstrengen.

Individualisering van de fiscale rechten

Vastelling

Het huwelijksquotiënt is een erg gender gebonden en ongelijk fiscaal voordeel. Het geeft ons fiscaal stelsel een erg patriarchaal beeld van de samenleving. Het huwelijksquotiënt beginsel is eenvoudig. Het wil op een fictieve manier een gedeelte van het inkomen van de hoofdbelastingbetaler toekennen aan de volwassene die ten laste is. De belasting wordt berekend op basis van dit inkomen alsof het door de persoon zelf was verdiend.

Commentaar

Het is een onrechtvaardig stelsel met een progressieve belastingsverlaging. Anders gezegd, het voordeel van het huwelijksquotiënt groeit met het inkomensniveau. Het wordt toegekend ook al heeft de echtgenote een andere bron van inkomsten, zoals vastgoed of een aandelenportefeuille. Het is dus een echt fiscaal voordeel voor de hoge inkomens omdat het huwelijksquotiënt meer kan opbrengen dan wat de echtgenote in loonverband verdient. Als vrouwen er dan toch voor kiezen buitenhuis te gaan werken, lopen ze het risico hun netto beschikbaar loon te zien dalen en dus ook de levensstandaard van hun gezin.

Het huwelijksquotiënt wil de vrouwen van de arbeidsmarkt weghouden.

Het werd goedgekeurd in 1989 op het ogenblik van de fiscale hervorming en had, al dan niet gewild, de bedoeling de vrouwen van de arbeidsmarkt weg te houden om de werkloosheidsstatistieken niet nog meer de hoogte in te jagen. Het jaarlijkse kostenplaatje van deze maatregel wordt op 1,6 miljard € geschat (64 miljard Belgische franken!) en is goed voor 1,5% van de totale staatsinkomsten.

Het huwelijksquotiënt druist in tegen het principe van de herverdeling.

Dankzij de techniek van het huwelijksquotiënt kan de persoon die het grootste inkomen heeft (in 98 % van de gevallen de echtgenoot of de samenwonende) dubbel zo veel voordeel halen uit de fiscale voordelen op zijn inkomsten en op de inkomensschijf die hij fictief op zijn echtgenote heeft overgeheveld. Het kan gaan om een korting voor lange termijnsparen en ook kinderopvang of huispersoneel. De belastingsverlaging toegekend omwille van een partner ten laste kan dus bijna worden gelijkgesteld met zes kinderen ten laste. Waar kan je hier nog spreken over sociale rechtvaardigheid ?

Het huwelijksquotiënt beantwoordt niet aan de gezinsbehoeften.

Een aantal mensen verantwoorden dit huwelijksquotiënt als gezinsbeleid. Men moest gezinnen met kinderen waarvan de moeder thuis blijft steunen. Het was een manier om dit educatieve werk te herkennen. Maar, meer dan de helft van de begunstigden van het huwelijksquotiënt hebben geen kinderen ten laste of hebben er geen meer ten laste.

Als het huwelijksquotiënt bedoeld is om huishoudelijk werk te ondersteunen, mag men zich terecht afvragen waarom alleenstaanden en gezinnen met twee inactieven er helemaal niet kunnen van genieten. We begrijpen evenmin waarom tweeverdienergezinnen die na hun werk toch nog huishoudelijk werk moeten doen, van deze maatregel niet zouden mogen genieten. Er is ten slotte ook niets wat verantwoordt dat de waarde van deze activiteit stijgt met het inkomen van de partner.

Het huwelijksquotiënt druist radicaal in tegen het gelijke kansen beleid.

Wanneer de echtgenote thuis blijft zit ze na een feitelijke of echtelijke scheiding zonder inkomen behalve als ze alimentatiegeld krijgt, wat vandaag slechts in 60% van de gevallen betaald wordt. Dit alimentatiegeld brengt slechts weinig geld in de staatskas omdat dit voor de schuldenaar fiscaal aftrekbaar is en het kost de Staat geld omdat de Staat, onder bepaalde voorwaarden, een voorschot geeft op pensioenen die niet via DAVO (Dienst voor alimentatievorderingen) zijn gestort.

Het is ook ongezond dat in een koppel de partner die het hoogste inkomen verdient en die van dit fiscaal voordeel geniet, zou beslissen over het lot van de andere en zelfs zou kunnen oordelen of het al dan niet opportuun is dat de partner zou werken en een eigen inkomen zou hebben. Dit is tegenstrijdig met het beginsel van de gelijke rechten voor beide partners.

Het huwelijksquotiënt is een onrechtstreekse discriminatie ten overstaan van de vrouwen aangezien, statistisch gezien, in 98 % van de gevallen, de fiscale aftrek gebeurt op basis van het loon van de mannen. Deze maatregel is in strijd met de doelstellingen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen en ondermijnt alle inspanningen die zijn geleverd om gelijke kansen te garanderen met betrekking tot de toegang van de vrouwen tot de arbeidsmarkt.

Het huwelijksquotiënt, dat wordt opgenomen in de berekening van de professionele voorheffing, draagt bovendien bij tot een grotere ongelijkheid tussen de lonen van mannen en vrouwen. Als men de lonen vergelijkt van twee collega's met een kind ten laste, de ene met zijn vrouw thuis en de andere vrijgezel. Zij voeren de dezelfde taken uit, verdienen eenzelfde bruto belastbaar inkomen en hebben dezelfde lasten. De werkneemster zal hogere belasting moeten betalen dan de werknemer terwijl zij eigenlijk minder kan bijdragen.

Eisen en aanbevelingen

De wereldvrouwenmars vraagt:

  • een fiscaal stelsel rechtvaardig voor alle vrouwen;
  • het debat rond individualisering van fiscale rechten te heropenen zonder de vrouwen die vandaag genieten van het huwelijksquotiënt te sanctioneren;
  • De vrouwenverenigingen stellen voor het huwelijksquotiënt af te schaffen per cohort en te beginnen met de nieuwe generaties (jonger dan veertig bijvoorbeeld) die al op de arbeidsmarkt zijn of die nu op de arbeidsmarkt komen.

Competenties van vrouwen : onbekend + onbenut + ondergewaardeerd

Vaststelling

Vrouwen hebben het in België nog steeds moeilijk om een baan te vinden. Ze zijn laaggeschoold of hebben niet het juiste diploma; of ze zijn hooggeschoold, allochtoon, en hun diploma is hier niet erkend.

Voor deze vrouwen die geen diploma (meer)hebben is het belangrijk dat zij een job kunnen vinden op basis van hun kwaliteiten en eerder of elders verworven competenties. De erkenning van hun kwaliteiten / competenties of EVC (Elders Verworven Competenties) kan een uitweg zijn.

De erkenning van buitenlandse diploma's en competenties van hooggeschoolde vrouwelijke vluchtelingen en nieuwkomers heeft een onmiskenbaar belang in het kader van hun emancipatie, inburgering en doorstroming naar de arbeidsmarkt of opleidingen.

De erkenning van kwaliteiten, ervaring, kennis en vaardigheden opgedaan buiten de schoolbanken of binnen de werksfeer is van groot belang voor de emancipatie en maatschappelijke participatie van alle vrouwen.

Commentaar

Wat zijn eerder of elders verworven competenties? EVC slaat op een combinatie van kennis, vaardigheden en attitudes die men tijdens het leven oppikt en later gebruikt.

Enkele concrete voorbeelden ter illustratie:

  • *van het thuisfront: vrouwen zijn goede organisatoren; ze hebben ervaring met het managen van een huishouden en het combineren van taken.
  • *uit het verenigingsleven: vrouwen organiseren activiteiten, leren het woord nemen en vergaderen en leren bestuursfuncties opnemen.
  • *in het buitenland verworven kennis: vrouwen met een diploma economie uitgereikt in Tsjetsjenië gecombineerd met vaardigheden in de informatica en het kunnen functioneren onder stress (koelbloedigheid en organisatietalent in het crisismoment van een vluchtsituatie).

Het debat rond de erkenning van EVC op de arbeidsmarkt is al een tijdje lopende. Logisch aangezien we stilaan maar zeker naar een "kennismaatschappij" evolueren en daarnaast ook het besef groeit dat de erkenning van EVC kan helpen bij het "optimaal benutten van het menselijk potentieel".

De gender-invalshoek en meer bepaald de algemene aandacht voor competenties van vrouwen, voor laaggeschoolde vrouwen en voor vrouwen van buitenlandse afkomst ontbreekt. Meer nog, de verschillende groepen vrouwen zijn onzichtbaar in het debat.

Voor elke doelgroep zijn specifieke acties nodig :voor autochtone vrouwen die zich willen omscholen/of voor een nieuw traject willen kiezen, maar ook voor kort- geschoolde vrouwen en voor hooggeschoolde allochtone vrouwen met een diploma dat hier niet van tel is.

Eisen en aanbevelingen

Er is vandaag de dag een enorm potentieel onder allochtone en autochtone vrouwen aan vaardigheden, kennis en ervaring.

De Wereldvrouwenmars vraagt:

  • om dit potentieel zichtbaar te maken, te benutten en te waarderen met het oog op de demografische en maatschappelijke uitdaging die op ons afstevent
  • dat de werkgevers werk maken van een gender- en diversiteitsbewust personeelsbeleid en competentiebeheer;
  • dat de werkgevers mogelijke vooroordelen over EVC opzij zetten;
  • dat dit element ook wordt meegenomen in de sociale dialoog over EVC's op alle niveaus Via de participatie van de werknemers, werkgevers, , vakbonden, zal de erkenning van EVC's tot méér en betere tewerkstelling leiden;
  • dat VDAB, BGDA, FOREM hier aandacht voor hebben;
  • dat beleidsmakers bij het opstellen van beroepsprofielen de rol die het vrijwilligerswerk speelt bij het opdoen van deze EVC' s mee in rekening nemen;
  • dat allochtone vrouwen bovendien in de bestaande provinciale onthaalbureaus terecht kunnen bij een speciale 'diploma- en erkenningscel' die informeert wat hun kansen zijn en zorgt voor een genderneutraal, gefundeerd advies en begeleiding hieromtrent;
  • dat hooggeschoolde allochtone vrouwen, zonder gelijkwaardig erkend diploma, en zonder vooruitzichten, een kans krijgen en een bijkomende kansengroep worden in het EVC-verhaal;
  • dat de bevoegde diensten in de regio's een lijst met 'titels van beroepsbekwaamheid' opstellen die genderneutraal is en beroepstitels voor hoger geschoolde allochtone vrouwen toevoegt.

Vrouwen: kleine loopbaan, klein salaris, klein pensioen

Vaststelling

Vrouwen werken meer deeltijds en onderbreken vaker hun loopbaan dan mannen. Vrouwen kennen meer dan mannen een wisselend loopbaanverloop.

Uit RVA gegevens blijkt dat in 2004:

  • nog steeds meer vrouwen dan mannen hun loopbaan aanpassen. In juli 2004 vertegenwoordigen vrouwen 72.2% van de werknemers die gebruik maken van tijdskrediet, tegenover 27.8% bij de mannen.
  • zijn er meer mannen boven de 50 die hun arbeidstijd aanpassen dan mannen onder de 50 jaar. Bij vrouwen zien we net het omgekeerde: meer vrouwen onder de 50 passen hun loopbaan aan.
  • naast vormen van tijdskrediet, onderbreken vrouwen hun loopbaan meer dan mannen voor de opvang van een ziek familielid of palliatief verlof. Vrouwen vertegenwoordigen 76% van de werknemers die hun loopbaan onderbreken voor de opvang van een zieke.
  • van alle werkende vrouwen heeft 43% een deeltijds contract; bij de mannen ligt dat percentage op nog geen 7% (NIS).
  • werkende vrouwen hebben - in verhouding tot hun toenemend aandeel op de arbeidsmarkt - een beperkte toegang tot brugpensioen en een volwaardig pensioen: slechts 18% van de bruggepensioneerden zijn vrouwen; 46% van de vrouwen tegenover 27% van de mannen hebben geen recht op het wettelijk minimumpensioen.
  • 50% van de alleenstaande moeders heeft geen baan. Dit komt omdat werken niet loont of omdat werken praktisch niet mogelijk is (steunpunt WAV 2005).

Commentaar

Ondanks de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen blijft de traditionele taakverdeling tussen vrouwen en mannen bestaan. De voornaamste verantwoordelijkheid van het huishouden ligt bij vrouwen en het zijn zij die hun werktijd in functie daarvan aanpassen. 70% van de vrouwen die deeltijds werken, zeggen dat ze dat doen om de combinatie tussen werk en gezin mogelijk te maken.

Anderzijds worden er in bepaalde sectoren en beroepen enkel maar deeltijdse contracten aangeboden. Het gaat hier om de zogenaamde vrouwelijke beroepen, sectoren (schoonmaak, grootwarenhuizen, enz) en functies waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn. Vrouwen werken dus ook meer deeltijds dan mannen omwille van de aard van de sector, het beroep en de functie. Dergelijke deeltijdse contracten zijn een instrument in handen van werkgevers om meer flexibiliteit te realiseren: kleine tijdelijke deeltijdse contracten, weinig tot geen inspraak in het uurrooster, shiften waarvoor men binnen een onredelijk korte termijn kan opgeroepen worden, beschikbaarheid over de ganse werkweek waardoor het onmogelijk wordt een tweede job bij te zoeken. Aan dergelijke jobs zijn bovendien lage lonen gekoppeld.

Vrouwen hebben dan ook meer dan mannen nood aan gelijkgestelde periodes (gelijkstelling voor de sociale zekerheid zoals het pensioen, het brugpensioen en dat voor de periodes waarin men niet gewerkt heeft). Mannen kennen een klassieker loopbaanverloop. Daarbij mag men de gevolgen niet ontzien van het optrekken van de pensioenleeftijd van vrouwen van 60 naar 65 jaar. Vrouwen zullen vanaf 2009 net als mannen 45 loopbaanjaren moeten kunnen voorleggen alvorens recht te hebben op een volledig pensioen. Veel vrouwen halen ook vandaag niet het minimumpensioen omwille van veel deeltijds werk en onderbroken periodes. Het verder verstrengen van de voorwaarden voor brugpensioen, zoals het optrekken van de anciënniteitvoorwaarde – een piste van de regering aangekondigd in het kader van het eindeloopbaandebat -, blijkt vooral voor vrouwen een slechte zaak (simulaties RVA september 2005).

Eisen en aanbevelingen

De Wereldvrouwenmars vraagt :

  • een genderbewust werkgelegenheidsbeleid dat de huidige inhaalbeweging van jonge vrouwen op de arbeidsmarkt verder ondersteunt om meer voltijdse volledige loopbanen te realiseren met "vrouwvriendelijke" omkaderende maatregelen:
  • uitbreiding van kwaliteitsvolle en betaalbare kinderopvang (ook om te vermijden dat vrouwen op latere leeftijd als oma vervroegd thuisblijven voor de kinderopvang van de jongere generaties, enz);
  • meer recht op zorgtijd in de drukste periode van het gezinsleven zonder dat dit een voorafname mag zijn op het recht om de loopbaan op het einde geleidelijk af te bouwen;
  • kwaliteitsvolle en toegankelijke gezinsondersteunende diensten zoals strijk- en poetsdiensten.
  • inspanningen vanwege de werkgevers om werk te maken van gezinsvriendelijke bedrijven, waar een cultuur in het bedrijf ontstaat:
  • gunstig voor een betere afstemming van werk en gezin;
  • waarbij van mannen aanvaard wordt hun werktijd aan te passen aan de noden in het gezin.
  • verder zijn bijkomende inspanningen en een versterking nodig van de bestaande maatregelen die (jonge) vaders aanmoedigen meer tijd voor zorg op te nemen (ouderschapsverlof e.a.). Een gelijke taakverdeling tussen mannen en vrouwen geeft meer vrouwen de gelegenheid om meer uren buitenshuis te (blijven) werken.
  • het behoud van brugpensioen als instrument voor een eindeloopbaanbeleid waarbij mannen en vrouwen op gelijke wijze kunnen beroep doen op brugpensioen. Aanvullend hiermee zijn bijkomende instrumenten nodig die rekening houden met het specifieke participatiepatroon van vrouwen in de oudere leeftijdscategorieën. Het aantal maatregelen die tot doel hebben oudere werknemers aan de slag te houden zijn te eenzijdig op het mannelijke werknemersprofiel afgestemd.
  • specifieke maatregelen voor alleenstaande moeders om toegang tot de arbeidsmarkt lonend te maken. Specifieke maatregelen te voorzien om de stille arbeidsreserve, veelal vrouwelijke laaggeschoolden met kinderen, een sluitende hefboom te geven richting nieuwe tewerkstelling. Erkenning van verworven competenties, opleiding, met de nodige omkaderende maatregelen om die tewerkstelling een duurzaam karakter te geven.
  • aandacht en maatregelen voor het verbeteren van de sociale bescherming van vrouwen. In de eerste plaats moeten de lage vrouwenpensioenen worden opgetrokken. In dat verband dient het debat te worden gevoerd over het belang van een genderbewust karakter van de sociale zekerheid: vandaag kent het systeem van de afgeleide rechten voor niet-werkenden rechten toe, terwijl werkende (vrouwen) in precaire statuten en onderbroken loopbanen onvoldoende sociale bescherming genieten.
  • een dringende verbetering van het deeltijds statuut waarbij o.m. het recht op meer uren en voltijds werk en contracten van onbepaalde duur centraal moeten staan evenals de gelijkstelling voor de sociale zekerheid.

De eisen zijn mede gebaseerd op de adviezen van de Raad van de Gelijkheid van Kansen voor mannen en vrouwen naar aanleiding van het debat over de loonongelijkheid

De eisen zijn mede gebaseerd op het advies van de Raad van de Gelijkheid van Kansen voor mannen en vrouwen naar aanleiding van het debat over de eindeloopbaan.




Terug naar beginpagina - Zend een e-mail

logo wandelende madammen logo wandelende madammen